De bewoners

Pibo Doma laat het huis na aan zijn dochter Catharina die getrouwd was met Petrus van Rosema en deze lieten het na aan hun zoon Jacobus die kinderloos stierf en het vermaakte aan zijn achternichten Anna, Wisckje en Auckje van Scheltinga. De oudste Anna, gehuwd met Johannes van Glinstra grietman van Tietjerksteradeel, kreeg het uiteindelijk in eigendom. Hun dochter Wya Chatarina van Glinstra erft het huis en trouwt met Willem Hendrik van Heemstra, de latere grietman van Kollumerland.

Willem Hendrik van Heemstra

Hun zoon Hector Livius wordt in 1740 op Fogelsangh State geboren, hij trouwt met Lucia Catharina van Scheltinga en zij krijgen in 1776 een dochter Cecilia Joanna die van zich zal laten spreken. Zij erft in 1783 het hele landgoed van haar vader, maar haar moeder voert het beheer. Cecilia zou zich verloofd hebben met Willem van Sytzama, maar wil daar niet van weten; daarover ontstaat onenigheid met haar moeder, ze vlucht naar Duitsland en trouwt met Willem Anne van Haren, grietman van Weststellingwerf. Zij verblijven enige jaren in het buitenland en pas in 1825 betrekken zij Fogelsangh State weer. In 1836, kinderloos zijnde, laat Cecilia het gehele bezit na aan haar achterneef Hecor Livius van Heemstra, zoon van Age Tjepke Ruurd Sixma, baron van Heemstra, grietman van Barradeel.

Deze beheert tot zijn dood in 1862 het bezit voor zijn zoon. Hector Livius is veel op reis, vindt op een van zijn reizen in Duitsland zijn vrouw Heriëtte Engelken en zij vestigen zich omstreeks 1870 op Fogelsangh State met hun beide dochters Hermance (geb. 1865) en Adeline (geb. 1868).
Hermance erft het huis en laat het na aan de zoon van haar zuster Binnert Philip baron van Harinxma thoe Slooten. Deze legateert het aan zijn dochter Kyra Livia de huidige eigenaresse.

“Baron van Heemstra, een markante persoon op Fogelsangh-state”

Veenklooster. In het museumseizoen van 2009 heeft Markant Friesland, samenwerkende musea noord oost Friesland, haar leden gevraagd een voor het museum belangrijke doch markante persoon centraal te zetten.

In de geschiedenis van Fogelsangh-state die reeds vanaf 1634 begint, hebben vel markante personen gewoond en gewerkt. Hector Livius Baron van Heemstra was een van deze markante personen.

Hector Livius werd geboren in Dronrijp op 30 september 1828, als zoon van Age Tjepke Ruurd Sixma Baron van Heemstra en Anna Adriana Cornelia van Halteren.

Hij was nog geen 8 jaar oud, toen hij van een nicht van grootvader van Heemstra het landgoed Fogesangh-state te Veenklooster erfde.

Deze nicht Cecilia Johanna van Heemstra, douarière Willem Anne van Haren, was kinderloos gestorven en vermaakte haar bezit aan dit verre neefje, die de naam van haar vader droeg.

Age T.R. van Heemstra was grietman van Barradeel en woonde te Pietersbierum in 1836. Het was duidelijk dat de jonge eigenaar van dit aanzienlijke landgoed nog niet in staat was om dit te beheren. Daarom kwam het gezin van Age T.R. naar Veenklooster en betrok Fogelsanghstate. Vader Age beheerde in de komende decennia de zaken. Hij verwisselde het grietmanschap van Barradeel voor dat van Kollumerland c.a. en bekleedde daarna nog het ambt van burgemeester van deze gemeente.

Hector Livius groeide intussen op en studeerde ook in het buitenland.

Hij reisde veel. Met zijn vriend van Beima bezocht hij Griekenland, Turkije, Palestina en Egypte. Op een reis door Duitsland, overkwam hem een ongeval waardoor hij enkele maanden moest worden verpleegd. Hij werd opgenomen in het huis van dr. Engelken te Bremen. Daar leerde hij de 19 jaar jongere beeldschone dochter Henriëtte kennen, waarmee hij in 1864 trouwde. Het echtpaar bleef voorlopig in Bremen wonen, waar ook 3 van hun 4 kinderen werden geboren. Het vierde kind, dat naar de erflaatster van Fogelsangh-state, Cecilia Johanna werd genoemd en ook op de state is geboren, overleed binnen een jaar. Helaas zijn maar 2 kinderen uit dit huwelijk volwassen geworden.

Uiteindelijk was Hector Livius met zijn gezin toch op Fogelsangh-state komen wonen. Voor zijn moeder, die in 1862 al weduwe was geworden, liet hij het zogenaamde Lytse Slot bouwen, dat tot 1985 door familieleden zou worden bewoond.

Hector voerde een vrij grote staat en was in aanzien. Hij werd benoemd tot kamerheer in buitengewone dienst van koning Willem III en was ook opperjagermeester van de koning. Voor het tweede bezoek van de koning aan Fogelsangh-state in 1873 wordt de state grondig gerenoveerd en uitgebreid met b.v. de tuinkamer. Voor de koning zelf wordt een speciale stoel gemaakt met in de rugleuning het familiewapen Van Heemstra. In 1851 was de koning ook langs geweest, toen in gezelschap van zijn broer Hendrik.

IMG_4775Ruim 20 jaar geleden wist een bejaarde inwoner van Veenklooster nog uit eigen waarneming te vertellen hoe Hector Livius van tijd tot tijd uitreed in een koets bespannen met vier paarden en met naast de koetsier ook een palfrenier op de bok. Beide in livrei. In 1909 overleed Hector Livius baron van Heemstra op Fogelsangh- state. Hij werd ruim 80 jaar. Zijn lichaam werd bijgezet in de familiegrafkelder bij de kerk in Oudwoude. Ook zijn koetsier en tuinman werden daarin bijgezet.

Over de Grens

Fogelsangh-State heeft een lange traditie van “over de grens”. Een gedeelte van het landgoed ligt in Achtkarspelen en het andere gedeelte ligt in Kollumerland. De grens tussen die twee gemeenten is de Swadde, een oeroude waterloop, en die Swadde was al in de 16e eeuw de grens tussen het Bisdom van Münster en het Bisdom van Utrecht. “Over de grens” Speelt ook bij de families die op Fogelsangh-State woonden. Cecilia van Heemstra (1767-1836) was een dondersteen, moest van haar moeder trouwen met haar neef van Scheltinga, maar ging er vandoor met haar vriend van Haren, vluchtte met hem “Over de grens” was ook steeds voor Hector Livius van Heemstra, de laatste mannelijke bewoner van Fogelsangh-State. Hij reisde veel en vaak “over de grens”, bezocht de Libanon, Israël, Egypte- en op de terugreis van één van zijn verre reizen kwam hij in Bremen, net “over de grens” van hieruit, en vond daar “over de grens” zijn vrouw Adeline Engelken en zij leefden lang en gelukkig op Fogelsangh-State.

Baron B. Ph. van Harinxma thoe Slooten, oud-diplomaat reisde met zijn reisgenoot, ornitholoog, Dr. G.A. Brouwer af te reizen naar Abessinië, het hedendaagse Ethiopië. van Harinxma schreef zijn herinneringen van deze reis in het boek “Dwars door Abessinië”.

De expeditie had een wetenschappelijk karakter. Zo verzamelde van Harinxma, wat we tegenwoordig data zouden noemen van vogels en zoogdieren voor het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden. Zodoende vroeg hij de ornitholoog en preparateur Brouwer mee als reisgenoot. Er werden ook metingen verricht op verzoek van het K.N.M.I.

Diplomaat

Ook zou de expeditie op verzoek van het K.N.M.I. meteorologische metingen doen in Ethiopië. De reis naar Ethiopië was gepland in de herfst 1930 periode die samenviel met de kroning van de nieuwe Afrikaanse keizer Haile Selassie. Als oud-diplomaat werd van Harinxma gevraagd zijn wetenschappelijke reis te combineren met het bijwonen van die plechtigheid en zo werden hij en de heer Brouwer toegevoegd aan de officiële delegatie die Hare Majesteit Koningin Wilhelmina in Addis Abeba zou vertegenwoordigen.

Reizen in 1930

Half oktober 1930 vertrok van Harinxma en zijn reisgenoot Brouwer, vanuit Rotterdam op de SS. Ridderkerk welke voer voor de Holland-Britsch Indië-lijn.

Aankomst in Djibouti

“Door een vreemden kreet word ik gewekt-allamèe, allamèe gilt een klein kinderstemmetje, telkens weer met vervelende hardnekkigheid. Het begint juist te dagen: mij oprichtende in mijn bed zie ik door de patrijspoort van mijn hut een pikzwart, spiernaakt donker jongetje dat zich vastklampt aan de verschansing van het wandeldek en dat voortgaat met het uitstooten van het onaangenamen geluid. Het schip ligt stil, dit moet Afrika zijn. Djibouti.”

Mijnheer van Harinxma werd bijzonder goed ontvangen samen met Brouwer door afgevaardigden van de nog te kronen keizer Haile Selassi.

Ethiopië

Ethiopië is het oudste onafhankelijke land van Afrika, met zowat de langste opgetekende geschiedenis ter wereld.

Tot aan de Tweede Wereldoorlog stond Ethiopië bekend onder de naam “Abessinië”, hoewel het Keizerrijk Ethiopië reeds voor die tijd de officiële naam was van het land.

Keizer Haile Selassie

Haile Selassie Ejersa Goro, 23 juli 1892 – Addis Abeba, 27 augustus 1975) was keizer van Ethiopië (van 1930 tot 1936 en van 1941 tot 1974). Tijdens zijn regeerperiode ijverde hij voor onafhankelijkheid, vooruitgang en vrede.

Haile Selassie werd geboren als Tafari Makonnen. Hij was een van een aantal adellijke personen met de titel ‘Ras’ (hertog). Hiervan is de naam van de Rastafaribeweging afgeleid. In 1918 overleefde hij de Spaanse griep. In 1924 bracht hij een officieel bezoek aan Italië, het Vaticaan en diverse andere Europese landen. In Frankrijk, Zweden en het Verenigd Koninkrijk werd hij met grote eer ontvangen.

Toen hij op 2 november 1930 tot keizer van Abessinië was gekroond, kreeg hij de naam Haile Selassie, die staat voor Heilige Drievuldigheid, of Macht van de Drievuldigheid.

In 1941 verjoeg een troepenmacht met Britse en Belgische militairen en Ethiopische vrijheidsstrijders de Italiaanse troepen. Haile Selassie kwam weer op de troon. Haile Selassie legde op 27 augustus 1942 de wettelijke basis voor de afschaffing van de slavernij die Italië in zijn land had ingevoerd en voerde strenge straffen in voor slavenhandel, inclusief de doodstraf. Hij moderniseerde zijn land met onder meer een nieuw belastingstelsel en een democratische grondwet. Mede door zijn toedoen werd Ethiopië een stichtend lid van de Verenigde Naties.

In 1951 werd de voormalige Italiaanse kolonie Eritrea, door middel van een beslissing van de Verenigde Naties, verbonden met Ethiopië in een federatie, waarbij Haile Selassie koning van Eritrea werd.

Haile Selassie bezocht in 1954 Nederland, waar hij in Amsterdam koningin Juliana ontmoette.

De jaren erna groeide hij uit tot een voorbeeld voor veel Afrikanen, die ook het koloniale verleden wilden afschudden.

De kroning

Na de treinreis vanuit de haven van Djibouti treffen de baron en zijn reisgenoot in de hoofdstad van Ethiopië, toen nog Abesinië geheten, een chaotische feeststemming aan. De keizer was van plan een moderne, op westerse leest geschoeide natie op te bouwen. Dat leidde tot bijzondere tussenvormen, zoals mijnheer constateert.

Ook tijdens de vele ontvangsten en galadiners ging wel eens wat mis. ‘Na het diner een vuurwerk, waarvan de helft tegelijk en ontijdig ontploft met een geweldigen knal en waardoor bijna brand wordt gesticht en een paar der aanstekers gewond moeten worden weggedragen.’

De expeditie

Wanneer de kroning achter de rug is, begint van Harinxma met het samenstellen van de karavaan waarmee hij van Addis naar Nairobi wil trekken, een tocht van ongeveer tweeduizend kilometer die maanden in beslag zou nemen. Er komen 32 muildieren, drie grote dromedarissen en veertien mannen als karavaanpersoneel, vier bedienden en een tolk.

“Ik weet dat onze karavaan zal bestaan uit muildieren, laat dus kisten maken, ongeveer van model en afmeting zooals wij die destijds in Centraal Azië gebruikten voor transport met onze ponies.”

De verse keizer wenst de gevormde karavaan persoonlijk een voorspoedige tocht en geeft een laissez-passer aan de expeditie. Een laissez-passer (Frans voor: sta toe te passeren) is een tijdelijk reisdocument afgegeven afgegeven door de hoogste autoriteit van een land om een gast van het land in de gelegenheid te stellen overal te reizen. Voor de expeditie betekende dit dat de reis door delen van Abessinië kon lopen waar eerder geen expedities toegelaten werden.

Een Zweedse arts geeft nog wat nuttige aanwijzingen voor onderweg, waaronder een praktijkles in het ‘toedienen van inspuitingen’. Hiervoor werden vanuit het dorp enkele aangewezen vrijwilligers opgetrommeld om te oefenen met inentingen.

Er wordt een enorme E.H.B.O-kist met een indrukwekkende hoeveelheid tropische medicijnen meegegeven voor eventuele ongemakken.

Tropische ziekten in de jaren 30.

Begin 19e eeuw brak er plotseling een nieuwe ziekte uit in Afrika. De patiënten hadden de gebruikelijke symptomen van ‘klimaatkoorts’, zoals de Europeanen allerlei tropische aandoeningen aanduidden.

Maar deze kleurde de urine zwart, en de meeste patiënten stierven binnen een dag. De mysterieuze ziekte werd blackwater fever (zwartwaterkoorts) genoemd. In de jaren 1930 leed 5 procent van blanke reizigers in Afrika aan zwartwater-koorts.

Geleidelijk ontdekten artsen het verband: de zwarte urine is te wijten aan kapotte rode bloedlichaampjes, en wat ze kapotmaakte was het kininepoeder dat al jarenlang een effectief middel was voor de bestrijding van malaria.

Maar ook relatief eenvoudige kwaaltjes konden bestreden worden met pillen, drankjes en poeders tegen buikloop, koorts of hoest. Maar ook reguliere verbandmiddelen waaronder het “snelverband” zat in de tropische E.H.B.O-kist.

Net voordat de karavaan op pad gaat, breekt muiterij uit onder het personeel. De eerste taak van tolk Yared is om alle verwensingen van de baron te vertalen. Van Harinxma is de diplomatie eigen en gaat in gesprek met het personeel.

Vervoer

En daar gaat de karavaan dan eindelijk, door grazige hooglanden, zompige moerassen, streken vol rovers, rivieren met krokodillen, en woestijnachtige gebieden. De baron had al een paar expedities achter de rug en had zich thuis in Friesland wellicht een voorstelling gemaakt van de reis.

‘Ditmaal Afrika, tropisch Afrika, dieren zien en gegevens verzamelen, ongerepte natuur, wildernis, oerwouden en woestijnen en vooral ook: lokale kleur, het echte nog ongerepte Afrika, geen Afrikanen in plus-fours en zoo weinig mogelijk plaatijzeren daken.’

De wetenschappelijke expeditie ontmoet onder meer bijeneters, hamerkoppen, spoorkieviten, slanghalsvogels, apen, klipdasjes, koedoe’s en zelfs de zeldzame bergnyala, een soort hert. Hoe zuidelijker ze komen, hoe groter het wild: panters, neushoorns, giraffen en leeuwen. Onderweg ontmoet de expeditie vele, soms zeer primitieve stammen, die met behoedzame en diplomatieke plichtplegingen worden benaderd.

Mijnheer van Harinxma beschikt over ‘relatiegeschenken’, waaronder behalve sierraden, ook een gevarieerde drankenhandel. De flessen whisky en cognac vinden gretig aftrek bij de lokale hoofdmannen op wier hulp de expeditie is aangewezen. In Den Haag had Mijnheer Van Harinxma thoe Slooten voor vertrek enkele koperen horloges gekocht als relatiegeschenk. Ook hier werkte de diplomatie en brachten de lokale stamhoofden de delegatie in de meest bijzondere natuurgebieden.

Niet de wilde dieren, het gebrek aan water of vijandelijke stammen blijken de grootste obstakels onderweg. De baron moet voortdurend zijn eigen karavaanpersoneel terecht wijzen, dat elkaar om de haverklap in de haren zit.

E-mail of whatsapp?

In 1930 was het moeilijk om contact met het thuisfront te houden. Post werd om de twee dagen te voet, hardlopende naar Addis Abada gebracht om daar per trein en per boot verzonden te worden naar Nederland. De intussen “poste restante” in Adis Abeba aangekomen post met marathonsnelheid naar de expeditieleden terug te brengen.

Eten

“Het is juist nieuwjaarsdag en ik zit aan het ontbijt. Alhoewel ik nadrukkelijk gezegd heb dat ik slechts één warm gerecht wilde hebben begon ik toch dit ontbijt op nieuwjaarsdag met drie warme gangen, waarvan de laatste bestond uit gebakken schapenlever. De brave bediende is namelijk bepaald bezorgd dat ik onderweg zal verhongeren.”

Vlakbij de Keniaanse grens wordt Brouwer, die op de grond sliep, gestoken door een schorpioen, wat van Harinxma ertoe brengt zich te beklagen over de slechte veldbedden die hij had betrokken van een ‘bekende sportwinkel in Amsterdam’, de bedden waren ‘het kruis van onze reis’.

Vanaf de Keniaanse grens – waar de daken niet meer van riet, maar van plaatijzer zijn – gaat Brouwer verder met een vrachtwagen.

De heren treffen elkaar weer onderweg naar Nairobi waar ze hun intrek nemen in een hotel. Al met al een geslaagde expeditie, meent van Harinxma.

Brouwer vertrekt met de trein naar Mombassa, van waaruit hij met de boot terugkeert naar Europa. Baron van Harinxma thoe Slooten heeft de smaak van een Afrikaanse

safari/expeditie te pakken. Hij koopt een gebruikte wagen, en met slechts een bediende reist hij verder. Mijnheer reist door naar Kaapstad.

Maar, zo besluit hij zijn reisverslag in Nairobi,

‘that is another story’